Ieder instrument heeft een eigen, unieke combinatie van boventonen. Deze worden door alles op/aan/in het instrument bepaalt: het materiaal, de vorm, de grootte, de diameter, de bouw, de manier waarop geluid gemaakt wordt, het versterken van het geluid, de bespeler etc. Al deze factoren samen zorgen voor het karakter en de klankkleur van een instrument.
In grote lijnen hebben we deze verschillen kunnen analyseren met behulp van Fourieranalyses en spectogrammen. Uit deze analyses is gebleken dat de boventonen, maar vooral de sterktes die deze hebben bepalen hoe een instrument klinkt.
De grote verschillen tussen snaar- en blaasinstrumenten worden dan ook veroorzaakt door het verschil van boventonen. Een blaasinstrument is een buis die aan één kant is afgesloten en een snaarinstrument heeft als basis een trillende snaar, dit zorgt voor andere boventonen. De manier van geluid produceren verschilt ook, namelijk een trillende snaar tegenover een trillend riet, of een botsing van lucht tegen een scherpe rand, of het trillen van lippen tegen een mondstuk. Tenslotte zijn de materialen waar de instrumenten van gemaakt zijn verschillend, variërend van plastic tot metaal. Combinaties van alle bovenstaande factoren en nog vele anderen zorgen voor de unieke klank van elk instrument.